vrijdag 9 oktober 2020

Mixen

Sinds een paar weken volg ik een cursus mixen. Ik weet nu bijvoorbeeld het nut van kneedhaken en waarvoor een staafmixer dient - niet voor slagroom. Of ben ik nu in de war met mijn kookcursus…?


Sorry, ik kon het even niet laten. De cursus die ik nu volg is mixen voor de (thuis)studio, muziek dus. Toen ik ermee begon realiseerde ik me dat de studiotechniek me al boeide toen ik nog in de brugklas zat; een tijd dat de studiowereld totaal anders was. Er was geen opleiding voor: als je het vak wilde leren deed je dat in de praktijk, vooral door eerst alleen van een afstandje naar de kostbare apparatuur te kijken als je de  heren technici koffie kwam brengen. Thuisstudio’s bestonden nog niet. De enkele hobbyist had twee cassette- of taperecorders en een paar simpele microfoons. Een enkeling die verstand had van elektronica kon zelf een mengpaneeltje bouwen met misschien vier kanalen. Voor de echte liefhebber leverde Philips bouwpakketten waarmee een bijzonder fraaie modulaire mixer samengesteld kon worden, maar daar hing een aardig prijskaartje aan: een compleet apparaat kostte al gauw een maandsalaris.


Tijden zijn veranderd. Aanvankelijk moest een muzikant zijn stuk goed kennen en het in een keer goed opnemen - het ging mechanisch van de hoorn naar de plaat. Primitief monteren kon vanaf ca. 1930 door de tape letterlijk te knippen en plakken; zo’n 20 jaar later bedacht Les Paul (inderdaad van het bekende gitaarmodel) het meersporenprincipe waarmee overdubs mogelijk werden en de muziek in delen kon worden opgenomen. Alhoewel dat beperkt was, want de Beatles hebben bijvoorbeeld lange tijd met 3-spoorsrecorders(!) gewerkt. Opnemen in een echte studio was eigenlijk alleen weggelegd voor artiesten met een platencontract. Een dag opnemen kostte ongeveer evenveel als een gemiddeld maandsalaris. Maar als je bedenkt dat studio-apparatuur mechaniek (recorders) en op maat gebouwde elektronica (mengtafel en randapparatuur) die onderhouden moesten worden door personeel met kennis van zaken, dan zijn de prijzen wel begrijpelijk.


Artiesten namen daardoor meestal op een totaal andere manier op: de muziek werd goed ingestudeerd en in relatief korte tijd opgenomen. De komst van de meersporenrecorders die tot 24 sporen tegelijk konden opnemen maakten het mogelijk om partijen uit te proberen en uit lagen op te bouwen - de Wall of Sound van Phil Spector bijvoorbeeld. Enkele goedverdienende artiesten konden investeren in een thuisstudio, maar dat waren er niet veel. De amateurmuzikant moest het tot de 80’er jaren met twee sporen blijven doen, of met meerdere recorders. Rond die tijd kwam de computer de huiskamers binnen en kwam de zaak in een stroomversnelling. Het werd namelijk mogelijk om met de computer muziek op te nemen en te bewerken. 19 van Paul Hardcastle was in 1985 de eerste hit die op die manier was gemaakt. Het bijzondere was dat hij hierdoor in staat was om snel nieuwe versies te maken, waardoor hij de aandacht van de zenders en het publiek wist vast te houden.


Inmiddels heeft het overgrote deel van de bevolking een computer die minstens even krachtig is als een supercomputer van een halve eeuw geleden. Software om een veelvoud aan sporen te kunnen opnemen en bewerken kan al gratis van internet worden gehaald - en van goede kwaliteit ook nog; een microfoon van heel redelijke kwaliteit is al voor een paar tientjes te koop. De studio is daarmee uit de studio gehaald. In principe kan iedereen met een laptop, tablet of zelfs telefoon muziek in hoge kwaliteit opnemen en bewerken. En ook het verspreiden hoeft niets meer te kosten. Platforms als Spotify en SoundCloud maken het voor iedereen mogelijk om muziek te publiceren. Democratisering van de muziek. Ieder schoolbandje, iedere thuisartiest en iedere muziekstudent kan letterlijk de hele wereld bereiken met zijn of haar werk.


Het gereedschap had ik al een tijdje in de vorm van een zogeheten DAW, een Digital Audio Workstation waarmee ik een compleet arsenaal van de hoogste kwaliteit aan studio-apparatuur op mijn computer heb, voor de prijs van een budgettelefoon. Je kunt daarmee alles op de computer doen, ‘in the box’. Alle studio-apparatuur heb je binnen handbereik, en vooral onbeperkt: als je een apparaat 20 keer nodig hebt, zijn die er gewoon. Geen vier of acht sporen omdat de recorder zo gebouwd is. Nee, tien, twintig of honderd sporen zijn geen enkel probleem. Wat toen de top van de techniek was, is nu niet eens het begin.


Maar zoals altijd zit er wel een addertje onder het gras. Een hamer, zaag en beitel van goede kwaliteit maken geen timmerman; professionele software, een goede microfoon en geluidskaart maken geen studiotechnicus. Als je weet wat een zaag is en hoe je die gebruikt, wil dat nog niet zeggen dat je een plank netjes en recht kunt afzagen. Om dat goed te kunnen moet je niet alleen veel oefenen, je hebt ook iemand nodig om te vertellen hoe je die zaag precies moet gebruiken. En dat is nu precies wat ik aan het doen ben. Ik ben begonnen met een cursus mixen. Je begint met een simpel project: nog geen 50 sporen. Als je de oude techniek gewend bent, is dat wel even slikken. Gelukkig begint het met heel veel stap-voor-stap uitleg over de verschillende onderdelen van de software en hoe je daarmee omgaat. Uitleg over hoe je een equalizer gebruikt of een compressor. Hoe je de niveaus in moet stellen, en dat bij digitale techniek 0dB echt de grens is waar niets voorbij komt. 


Gelukkig ben ik altijd geïnteresseerd gebleven in de geluidstechniek en heb ik mede door de band van een goede vriend in het verleden veel meegekregen. Daardoor kan ik een stuk beter begrijpen waar alles over gaat. Maar toen ik zag dat het volgende onderdeel uit 20 lessen bestond moest ik nog een keer slikken.


Ik schrik alleen nu niet meer van het overvolle scherm met een enorm batterij aan regelaars zoals je dat al snel hebt. Maar ik moet nog wel even oefenen.


Voor degene die wat meer over DAW’s wil weten : https://www.musictech.net/guides/essential-guide/essential-guide-daws/

En de software die ik gebruik: https://www.presonus.com/products/studio-one/