woensdag 29 november 2023

 Microfoons (3)

In mijn eerste blog is te lezen dat er eigenlijk geen goede of slechte microfoons zijn. Natuurlijk hebben bepaalde microfoons een klank die we niet prettig vinden. Wie de oude grijze telefoons nog kent, weet dat die de typische telefoonstem opleverde met een smal frequentiespectrum. Goed om spraak verstaanbaar over de lijn te krijgen, maar niet geschikt om een luisterliedje op te nemen. Toch is dat typische geluid gebruikt voor de zangpartij van het nummer ‘I’m sorry sir’ van Mike Rondell (https://www.youtube.com/watch?v=dfP-7x0Md9g) dat in 1975 een bescheiden succes was en gewoon nog steeds een leuk nummer. 


Maar wat bepaalt nu de klank van een microfoon vroeg ik me af. Het eerste is natuurlijk het membraan dat de geluidstrillingen opneemt. Bij een dynamische microfoon is dat een membraan met daaraan een spoel van dun koperdraad. Doordat die spoel een bepaald gewicht heeft die door het membraan gedragen moet worden. Dat membraan moet dus een bepaalde stijfheid hebben en het gewicht van het koper zorgt voor massatraagheid met als gevolg dat hogere frequenties minder goed worden opgenomen dan lagere tonen. Het gevolg is dat dit soort microfoons gewoonlijk een wat warmere karakteristiek heeft, alhoewel bijvoorbeeld de aloude Sennheiser MD421 verrassend helder van klank is. Bij condensatormicrofoons is het juist het dunne membraan (soms met een dikte van 3 micrometer veel dunner dan een haar) dat zorgt voor een snelle reactie op pieksignalen en een goede opname van hoge tonen. Tegelijk kan een dergelijke microfoon daardoor dun of schel gaan klinken, afhankelijk van het instrument of de persoon die wordt opgenomen. Een ribbonmicrofoon zit daar qua klank meestal een beetje tussenin en is vaak wat zijde-achtig van klank.


Wat moet je kiezen

Een goede microfoon hoeft niet onbetaalbaar te zijn, en een dure microfoon is niet per definitie de meest bruikbare. Merken als Rode en Aston maken fantastische microfoons die qua klank niet onderdoen voor exemplaren die letterlijk tien keer zo duur zijn. Dat heeft allemaal te maken met een natuurwet die aangeeft dat prijzen exponentieel toenemen ten opzichte van de kwaliteit. De allergoedkoopste microfoons kun je bijvoorbeeld bij een winkel als Action vinden. Ze doen het, en daar is alles mee gezegd. De klank is schel en metalig, en ze nemen alle geluiden uit de wijde omgeving op. Tegelijk betaal je een paar euro, en voor het duurste exemplaar - vintage look en kleurige verlichting erin - een euro of tien. De daadwerkelijke microfoon is overigens niet meer dan een euro waard. Je betaalt vooral voor het uiterlijk.


Microfoon of auto

Aan de andere kant hoef je echt niet op Reverb.com te zoeken naar een originele Neumann U47 voor een prijs waar je een auto voor kunt kopen. Tussen de Action en Neumann is een groot gebied waarin voor iedereen wel een bijzonder goed bruikbare microfoon te vinden is. Koop liever geen Samson of Behringer of iets anders uit die klasse, ook al zien ze er mooi uit. Voor deze microfoons betaal je vooral voor het uiterlijk, niet voor de kwaliteit. En je kunt beter een fatsoenlijke microfoon kopen dan drie minder goede voor dezelfde prijs. Voor de meeste thuisstudio’s is een microfoon in de prijsklasse tussen ca. 100 en 350 euro eigenlijk de beste keuze. In de lagere prijsklasse is het geluid zonder meer goed en vooral ook toekomstbestendig - je hebt dan een microfoon die jarenlang nog net zo goed bruikbaar is. Een goedkopere microfoon moet je gewoon niet doen.


Wat wil je opnemen

Voor je tot aanschaf overgaat is het belangrijk om te kijken wat je wilt opnemen. De richtinggevoeligheid is daarbij een belangrijke factor: wil je in een huiskamer zang gaan opnemen zonder goede akoestische demping, dan moet de microfoon vooral niet rondomgevoelig zijn, en ook een condensatormicrofoon valt dan eigenlijk al af. Die microfoons zijn erg gevoelig op afstand waardoor alle reflecties in de opname zullen komen - met een doosachtig geluid tot gevolg. Een simpele SM58 kan dan de beste en voordelig keus zijn. Dit is een dynamische microfoon die een klassieker is onder de zangmicrofoons. En voor een prijs van rond de 100 euro zeer betaalbaar. Bovendien is het een microfoon die je de rest van je leven zult gebruiken omdat hij gewoon goed werkt voor heel veel stemmen, maar ook voor elektrische gitaar of drums een prima oplossing. 


Wil je akoestische instrumenten opnemen, dan is een condensatormicrofoon waarschijnlijk een betere keuze. Voor zang hangt het af van de stem, alhoewel de equaliser van je DAW heel veel kan verzachten als het te schel gaat klinken. Vooral bij hogere vrouwenstemmen kan dat een prima oplossing zijn. Een microfoon die inmiddels een klassieker genoemd mag worden is de Rode NT1 die duurder is dan de Shure maar nog steeds heel betaalbaar is met prijzen van rond de 150 euro. Ook dat is een microfoon waar je lang plezier van kunt hebben.


De top voor thuis

Wil je een stapje hoger, dan is Aston een prachtige keuze met de Origin als instapmodel voor de studio. Kost weer zo’n anderhalf keer zoveel, maar dan heb je een microfoon die zich kan meten met merken die minstens vijf keer zo duur zijn. En wil je echt een universele microfoon met omschakelbaar patroon, dus nier-, acht- en rondomgevoeligheid, dan is de Aston Spirit een keuze waar je geen spijt van zult hebben. Daarmee kun je eigenlijk alles aan. Een SM58 kan een goede aanvulling zijn op termijn - of juist als instapkeuze die je nooit meer weg zult doen.


Een aanvullende stap is een ruimte die akoestisch zodanig is dat je fatsoenlijk kunt opnemen met je microfoon, maar dat is een onderwerp voor een volgende blog.

vrijdag 10 februari 2023

Microfoons (2)


In mijn vorige blog gaf ik al aan dat er geen universele microfoon bestaat die overal goed klinkt. Het karakter van de microfoon in combinatie met dat van de geluidsbron bepalen wat goed klinkt. Maar er komt meer bij kijken. De gevoeligheid is een ding - iemand die luisterliedjes zingt produceert nu eenmaal minder geluid dan een Marshall 4x12 stack op vol vermogen - de richtinggevoeligheid is een ander belangrijk aspect.


Globaal zijn er drie soorten richtingkarakteristiek: bol-, nier- en 8-gevoeligheid. Die benamingen zijn een directe vertaling van de richting waarin de microfoon gevoelig is als we een doorsnede nemen door het opnamevlak.


Bolkarakteristiek

De eerste, de bolkarakteristiek, geeft aan dat de microfoon vanaf het opnamevlak aan alle kanten even sterk opneemt. Dus voor, zij, maar ook achter, boven en onder. Het is een perfecte eigenschap als je bijvoorbeeld een zangroep om de microfoon laat plaatsnemen: alle zangers zullen goed worden opgenomen. Nadeel is wel dat de akoestiek van de ruimte in dit geval vooral reflecties van de vloer en het plafond, ook duidelijk worden opgenomen. In een concertzaal is of kerk kan het juist de opname verlevendigen omdat de galm van de hele ruimte wordt meegenomen. Als het een kleinere ruimte is, bijvoorbeeld een niet goed gedempte huiskamer, dan kan het juist een ‘dozig’ geluid veroorzaken door de korte reflectietijden.


In de meeste gevallen zal het hier trouwens om een condensatormicrofoon gaan.


Nierkarakteristiek

De tweede, en eigenlijk meestvoorkomende, is de nierkarakteristiek. Deze vorm kunnen we in drie dimensies vergelijken met een opgeblazen ballon die we stevig tegen de microfoon aandrukken. De doorsnede lijkt dan wat op een nier, met het opnamevlak in het holle deel van de vorm. Aan de voor- en zijkanten wordt het geluid goed opgenomen, maar meer naar achteren toe wordt de gevoeligheid duidelijk minder. Helemaal nul is het in de praktijk nooit, maar er twee zangers tegeniover elkaar staan te zingen met de microfoon op een van beide gericht, dan zal de ander in de praktijk niet of nauwelijks in de opname te horen zijn. Door de richtinggevoeligheid zal de ruimte een veel mindere rol in de opname spelen, waardoor dit soort microfoons worden gebruikt wanneer het geluid uit een bepaalde richting komt, wat het geval is bij zang, instrumenten en groepen.


Belangrijk voordeel is ook dat omgevingsgeluid minder ‘doorlekt’, waardoor andere instrumenten minder hoorbaar zijn. Ook voor op het podium is het prettig omdat het geluid van de PA minder wordt opgepikt, en dus de kans op rondzingen vermindert.


Het is een typische karakteristiek van de dynamische microfoon, maar ook het overgrote deel van de condensatormicrofoons heeft deze karakteristiek.


Supernierkarakterstiek

Sommige microfoons hebben een zogeheten supernierkarakteristiek. Hierbij is de gevoeligheid aan de zijkant duidelijk minder. Ook de lange richtmicrofoons (‘shotgun’) zijn aan de zijkant weinig gevoelig en hebben in extreme gevallen meer een karakteristiek die op een trechter lijkt. Dit wordt bewerkstelligd door een slimme constructie van de buis waarin het opnemerelement zit, die ervoor zorgt dat het grootste deel van de zijdelingse geluiden worden uitgedoofd. Het voert tever om hier uit te leggen hoe het werkt. Het zijn microfoons die we vooral zien bij filmopnamen en verslaggevers doordat de omgevingsgeluiden sterk worden afgedempt, en dus de geluidsbron minder verstoren. Vooral de hengel- of boommicrofoons die van bovenaf acteurs moeten opnemen zijn een bekend voorbeeld.


8-karakteristiek

Tot slot hebben we nog de 8-karakteristiek die eruitziet als twee ballen die aan weerszijden tegen de microfoon worden gehouden. Zowel voor als achter wordt het geluid duidelijk opgenomen, maar aan de zijkant nauwelijks. Het wordt onder andere gebruikt in de studio om twee zangers tegenover elkaar te zetten.


Deze microfoons lenen zich geweldig voor ruimtelijke stereo-opnamen met de zogeheten Blumlein-opstelling, vernoemd naar de bedenker ervan. Hierbij worden de microfoons zo dicht mogelijk boven elkaar gezet zodat de opnamevlakken een kruis vormen en de karakteristiek vier tegen elkaar liggende bolletjes vormt die (toevallig) aan een bloem doet denken.


Met deze opstelling worden zowel de geluidsbron als de reflecties goed opgenomen, wat een verrassend ruimtelijk geluidsbeeld oplevert. Vooral akoestische instrumenten en zang leveren een prachtig resultaat op met deze techniek. Zelf wil ik het nog eens met buitenopnamen proberen, wat ook goed zou moeten werken.


De ribbon- of bandmicrofoon heeft door zijn constructie van nature de voor- en achtergevoeligheid die de 8-vorm oplevert. Ook  multi-pattern condensatormicrofoons kennen eigenlijk altijd wel een optie voor deze karakteristiek. 


Instelbare karakteristiek

Veel condensatormicrofoons hebben een instelbare karakteristiek. Dit varieert van omschakelbaar tussen de drie, maar een enkeling heeft een traploos instelbare karakteristiek. Doordat deze condensatormicrofoons voor en achter een membraan hebben kan het signaal in fase (niervorm) en in tegenfase (8-vorm) worden geschakeld. Door de signaalverhouding tussen de beide membranen met elkaar te mengen, ontstaan de tussenvormen. Een enkele fabrikant als Lewitt gaat zover met de LCT 640 TS dat alle signalen meerkanaals worden opgenomen en de richtinggevoeligheid in de mix nog kan worden aangepast.

zondag 11 december 2022

Microfoons (1)

Een microfoon is nagenoeg onmisbaar. Zelfs in de moderne thuisstudio waar je alles in-the-box kunt produceren met software-instrumenten, is het toch bij heel veel muziek nodig om in elk geval een stem te kunnen opnemen. Maar microfoons zijn er in vele soorten en maten, met allerlei goede en slechte eigenschappen en hun eigen toepassingsgebieden.

In grote lijnen zijn er drie soorten microfoons die in de praktijk gebruikt worden: de dynamische moving coil-, de condensator- en de ribbon- of bandmicrofoon. Er bestaan meer soorten die zelden of nooit in de studio gebruikt worden; kool- en kristalmicrofoons bijvoorbeeld en de reden is vooral de geluidskwaliteit. Dat er drie soorten overgebleven zijn heeft vooral te maken met de klankeigenschappen van de verschillende principes.


Je zou verwachten dat voor muziekopnamen de meest neutrale microfoon het meest geschikt is, net als dat de monitorluidspreker een zo nauwkeurig mogelijke weergave biedt. Toch werkt het in de praktijk anders. De microfoon is in feite een muziekinstrument dat net dat scherpe randje weglaat van de zangstem, of juist een beetje extra helderheid geeft aan die gitaar. Natuurlijk kun je tijdens het opname- en mixproces de klank bijsturen maar het zal nooit hetzelfde resultaat opleveren. En waarom zou je de klank van een gewone viool bij de opname proberen aan te passen als je een Stradivarius kunt gebruiken?


Klank is een kwestie van smaak, en voor een microfoon geldt dat zeker ook. Tegelijk is de combinatie met de stem of het instrument bepalend. Net als kleuren die onaangenaam combineren kan ook een microfoon slecht aansluiten bij de geluidsbron. Een mooi voorbeeld kwam ik tegen bij Sue Aston (die ik ken via via Patreon, een platform dat artiesten en publiek bij elkaar brengt) die tegen het probleem aanliep dat opnamen van haar piano niet goed klonken. Op de foto herkende ik direct de overbekende Shure SM57 dynamische microfoon. Een prima microfoon voor zang, maar ongeschikt voor piano. Deze microfoon is namelijk oorspronkelijk voor spraak ontworpen en benadrukt het frequentiegebied van de menselijke stem. Een piano heeft een veel bredere klankkleur en gaat daardoor mat en nasaal klinken. Gelukkig had ze net een Rode condensatormicrofoon besteld en heeft op mijn aanraden de voor- en bovenkant van het instrument afgehaald. Het resultaat was ineens een rijke heldere klank.


Afgezien van waarvoor een bepaalde microfoon ontworpen is, heeft de hele bouw invloed op de klank. De ‘gewone’ dynamische microfoons hebben een membraan met daaraan een spoel koperdraad die in het magneetveld van een ringmagneet hangt. Die spoel heeft een bepaalde massa, en het membraan moet de spoel kunnen dragen waardoor het een bepaalde stijfheid moet hebben. De massa van de spoel - misschien een fractie van een gram - heeft een zekere massatraagheid waardoor snelle veranderingen (transiënten; plosieven) minder worden opgenomen. Mooi om scherpe t- en p-klanken af te dempen, maar de scherpe aanslagpiek van een gitaar wordt ook minder sterk opgenomen.


Condensatormicrofoons hebben een compleet ander principe. Ze bestaan uit een extreem dunne kunststoffilm die vele malen dunner is dan een haar. Door een laagje metaal vormt dit vlies een elektrode die ten opzichte van de vaste elektrode kleine ladingsverschuivingen veroorzaken. Deze signalen zijn zo zwak dat een elektronische voorversterker nodig is. Door de massa van milligrammen nemen ze de kleinste trilling op - en dus hoge frequenties en scherpe pieken. De luchtstroom van een dwarsfluit wordt daardoor prachtig hoorbaar, maar ook het inademen van een zanger, en het raspje van de stembanden.


Als derde hebben we nog de ribbon- of bandmicrofoon. Hierbij hangt een extreem dunne metaalfolie tussen magneten en wekt op die manier een minimaal signaal op doordat er een elektrische spanning wordt opgewekt in de folie. Door middel van een signaaltransformator wordt dan de spanning op een werkbaar (millivolt-)niveau gebracht. Doordat de folie die bijna zo dun is als bladgoud, is de microfoon uitermate kwetsbaar. Tegelijk combineren ze de klank van de moving coil en de condensatormicrofoon in een karakteristiek geluid dat eigenlijk niet op een andere manier te bereiken is. En door hun bouw nemen ze het geluid aan de voor- en achterkant even goed op. Welke voordelen dat heeft komt in een ander blog aan de orde.

zaterdag 28 november 2020

Equalizers, lots of equalizers.

Effectapparaten in de studio waren vroeger - voor het computertijdperk - plug-ins op een andere manier. Je gebruikte letterlijk pluggen en kabels om een effect in het kanaal van de mengtafel te pluggen. Het waren vaak fysiek grote en zware apparaten. Meestal 19” rackformaat en al gauw zo’n 10 a 15 cm hoog. De schakelvoeding kende men nog niet, dus dat betekende flinke transformatoren, waardoor een gewicht van 10-15 kilo voor een apparaat niet vreemd was. Maar ja, die dingen waren gebouwd voor de eeuwigheid, niet om afgeschreven te worden na een paar jaar zoals tegenwoordig. En tegenwoordig zijn er met wat moeite van die apparaten te vinden, tientallen jaren oud en prima functionerend - maar tegen flinke prijzen.


Ze konden ook (heel) lang mee doordat ze geen besturingssysteem hadden dat na regelmatig moest worden bijgewerkt. En als er iets stukging kon je met een beetje moeite het defect vinden en dat onderdeel vervangen. En gezien de prijs was het zeker de moeite waard om een of enkele uren naar de storing te zoeken. Die  prijs was ook een goede reden dat alleen de meest noodzakelijke apparatuur beschikbaar was, maar er waren verschillende andere reden.


Vervorming, ruis en andere stoorsignalen waren natuurlijk een belangrijke reden om zuinig om te springen met extra elektronica in het signaalpad. Iedere buis, iedere transistor, iedere kabel en alle andere onderdelen hebben nou eenmaal invloed op het geluid. Iedere buis of transistor zorgt net voor wat vervorming en ruis; een kabel geeft altijd iets verlies van hoge frequenties en pikt een beetje brom op; spoelen en condensatoren zorgen voor faseverschillen die op hun eigen manier het geluid beïnvloeden. En meerdere kleine stappen vormen samen een duidelijk hoorbaar verschil.


Er was nog een andere belangrijke reden dat compressors, equalizers en andere apparaten mondjesmaat werden ingezet. Ze hadden namelijk niet de status van ‘effect’. Veel van deze apparaten kwamen namelijk uit de radio- of meettechniek. Een compressor (soms met expander, samen compander genoemd) had simpelweg als functie om ervoor te zorgen dat het uitgaande radiosignaal niet te sterk werd om de zender niet te oversturen, maar ook om zachte passages luider te maken om deze niet voor de luisteraar in de ruis te laten verdrinken. En een equalizer was een correctiemiddel om frequenties te verwijderen die toch niet hoorbaar zouden zijn; om de ruis en brom weg te filteren en om de klank in balans te brengen.


Hoe zijn de compressor en equalizer tot effect geworden? Waarschijnlijk gewoon doordat iemand de apparaten verkeerd had ingesteld. De overdrive/fuzz/distortion voor de gitaar is ook voor een belangrijk deel per ongeluk ontstaan door  defecte versterkers: het klonk anders en nodigde uit tot experimenteren; het typerende Phil Collins geluid van ‘In the air tonight’ ontstond ook per ongeluk, net als de stem van Cher in Believe.


Fysieke effecten gebruiken we meestal nog zelden in onze digitale, in-the-box studio. Bij je DAW krijg je al een batterij aan effecten meegeleverd zonder dat die hoeft te kopen, en op diverse websites is genoeg gratis te vinden (zoals op  http://www.vstplanet.com). Je hoeft dus echt geen honderden of duizenden euro’s te betalen voor een fysiek apparaat dat een eeuw meegaat. Sterker nog, je kunt fantastische digitale kopieën kopen van oude apparaten die er exact uitzien als de originelen na jaren gebruik. Vergeelde knoppen, vlekken of slijtplekken op het digitale frontpaneel dat er nooit ouder gaat uitzien en wat niet kapot gaat. Jammer genoeg kun je het ook niet opknappen of modificeren.


Soms is zo’n digitale versie een verbeterde of uitgebreide versie; een andere keer is het apparaat exact gemodelleerd en kun je zelfs het ruis- en bromniveau(!) aanpassen voor het authentieke geluid. Aan de andere kant heb je compleet nieuwe ontwerpen die alleen op de computer kunnen bestaan, zoals een compressor met 0 mS reactietijd of een echte grafische equalizer waarvan je de curve zelf tekent.


Er is een ding dat in de computerwereld nooit in werkelijkheid geëvenaard wordt: je koopt een effect namelijk één keer maar je kunt het zo vaak inzetten als je wilt. Op ieder kanaal. Op iedere bus. Stapelen in een kanaal. Naast elkaar zetten in een kanaal. Het is als in The Matrix Reloaded waar Neo vraagt om ‘Guns, lots of guns’ (https://www.youtube.com/watch?v=j_urZ5KDPec) waarbij hij na een paar toetsdrukken duizenden wapens beschikbaar heeft. In je digitale mixer kun je duizenden effecten inzetten; het is in principe een onbeperkte hoeveelheid kopieën van de virtuele apparaten. Compressors. Equalizers. Filters. Galmruimtes, met een druk op de knop op maat gemaakt, van wc tot kathedraal. De mogelijkheden zijn in principe onbeperkt zolang je computer het aankan.


En ja, er zijn fanatiekelingen die juist de beperkingen van de fysieke Old Skool-apparaten inspirerend vinden en daar fantastische resultaten mee bereiken. Het album Tascam Tapes van DeWolff bijvoorbeeld dat is opgenomen met een meersporen cassetterecorder die letterlijk uit elkaar viel.


Ach, de een wil in de stad wonen, de ander in het bos. Het is maar net wat je inspireert.

zondag 1 november 2020

Geen hi-fi in de studio

De studio is natuurlijk de plek waar je het beste geluid wilt hebben. Je moet de opname en de mix zo zuiver mogelijk horen om zeker te weten dat alles perfect in orde is. Dus staat daar natuurlijk de beste hi-fi apparatuur om het meest natuurlijke geluid te hebben zou je denken; beter dan dat kan het niet zijn, zou je denken. Toch is het in de praktijk zo dat de apparatuur die in de studio wordt gebruikt om te luisteren het niet zo lekker doen in de huiskamer. 


Vreemd eigenlijk. Een kwaliteits-hi-fi-versterker beroept zich op de laagste vervorming met een perfect vlakke karakteristiek en luidsprekers die weergeven van 17-28.000 Hz. Vreemd genoeg staat er alleen (-3dB) bij die speakers vermeld, en in een recensie kan ik wel vinden dat “de middenhoog- en laagweergave ‘stiller en strakker’” zijn. En ze zijn voorzien van Aerofoil woofers en Diamantdome met Nautilusontwerp-tweeters. Indrukwekkend, maar dat mag ook wel voor Bowers & Wilkins 802 D3 boxen van ruim 20.000 euro per set. Ik ben bang dat er voor een belangrijk deel een placebo-effect speelt, net als audiofielen die ‘meer ruimte in het geluid’ horen wanneer ze een verguld netsnoer gebruiken. Maar over de karakteristiek van de boxen is niets te vinden, behalve die -3dB.


Als je bedenkt dat een variatie van 0,3dB al een merkbare kleuring van de klank oplevert oplevert zoals ik in mijn blog Decibellen al aangaf, dan mag het duidelijk zijn dat 3dB heel veel ruimte geeft aan de kleuring van de muziek. Bij het masteren van de muziek - het ‘op smaak brengen’ van de muziek voor de luisteraar, zoals een kok nog even drupje saus bij het vlees serveert - blijven aanpassingen normaal gesproken ver onder deze waarde. Waarom kan een luidspreker dan rustig 3dB extra geven in het laag en toch nog topklasse zijn?


Ach, mensen houden van lekker. Of dat nou een klodder mayonaise op de patat is of een schep suiker in de koffie. Het moet lekker smaken, of in dit geval lekker klinken. Die luidspreker voegt net die saus toe, of dat schepje suiker. De installatie voor in de huiskamer (of luisterruimte voor de echte audiofiel) is gebouwd op goed klinkend geluid, niet op het meest nauwkeurige geluid, al zijn de meningen daar misschien wat over verdeeld.


In de studio gaat het anders. Je moet de ingrediënten kunnen proeven. Zonder saus, zonder suiker, zonder melk. Fabrikanten van monitorluidsprekers zijn daardoor wat scheutiger met hun informatie en grafieken. Een monitor als Monkey Banana Lemur5 bijvoorbeeld kan op verschillende karakteristieken worden ingesteld, en die gewoon op de box zelf gedrukt zodat je kunt zien wat de instellingen met het geluid doen. Onlangs zag ik zelfs een paar nogal kostbare professionele monitors, die over het hele weergavegebied niet meer dan 0,1dB afwijking hadden. Nagenoeg geen kleuring dus Je bent dus verzekerd van een onvoorstelbaar nauwkeurige weergave, maar ik kan erbij vertellen dat ze niet ‘lekker’ klinken. Geen mooie volle bas, bijvoorbeeld of een tinkelend hoog. Maar het zijn wel luidsprekers waarmee het geluid zo nauwkeurig mogelijk wordt weergegeven om een goede referentie te hebben.


In de studio wil je het geluid horen in zijn zuiverste vorm met zo min mogelijk kleuring. Een chef-kok zal het vlees proeven zonder saus, en de saus zonder vlees. Bij het mixen luister je ook eerst naar de afzonderlijke instrumenten en instrumentgroepen om zeker te weten dat alles goed met elkaar in balans is. En als dat het geval is, ga je als het ware het vlees (of de vleesvervanger), de groente en de bijgerechten samenvoegen. En om het af te maken neem je een drupje saus en wat dressing over de salade. Als alles dan op tafel staat, pakt de klant peper en zout omdat het dan lekkerder smaakt.


En daar zit nou net de valkuil. Je moet leren luisteren naar het neutrale geluid van de monitor en het geheel niet ‘lekker’ laten klinken. Bij mijn eerste mix ging ik daarmee goed de mist in: op de monitors klonk het best aardig maar in de huiskamer werd het een vette brei van geluid, onder andere doordat de installatie iets te warm was ingesteld, maar vooral omdat ik mixte op een aangename klank, niet op de balans. Als een kok precies genoeg zout in het eten doet en de klant pakt gelijk de zoutstrooier, dan is niet lekker meer.


Dus ja, de muziek wordt in de hele keten tot aan de luisteraar zo zuiver mogelijk opgenomen (alhoewel… daarover in een volgend blog meer) om ervoor te zorgen dat het is zoals de artiest en producer het wilde hebben. En de luisteraar past het vervolgens aan zodat het lekker klinkt.

vrijdag 9 oktober 2020

Mixen

Sinds een paar weken volg ik een cursus mixen. Ik weet nu bijvoorbeeld het nut van kneedhaken en waarvoor een staafmixer dient - niet voor slagroom. Of ben ik nu in de war met mijn kookcursus…?


Sorry, ik kon het even niet laten. De cursus die ik nu volg is mixen voor de (thuis)studio, muziek dus. Toen ik ermee begon realiseerde ik me dat de studiotechniek me al boeide toen ik nog in de brugklas zat; een tijd dat de studiowereld totaal anders was. Er was geen opleiding voor: als je het vak wilde leren deed je dat in de praktijk, vooral door eerst alleen van een afstandje naar de kostbare apparatuur te kijken als je de  heren technici koffie kwam brengen. Thuisstudio’s bestonden nog niet. De enkele hobbyist had twee cassette- of taperecorders en een paar simpele microfoons. Een enkeling die verstand had van elektronica kon zelf een mengpaneeltje bouwen met misschien vier kanalen. Voor de echte liefhebber leverde Philips bouwpakketten waarmee een bijzonder fraaie modulaire mixer samengesteld kon worden, maar daar hing een aardig prijskaartje aan: een compleet apparaat kostte al gauw een maandsalaris.


Tijden zijn veranderd. Aanvankelijk moest een muzikant zijn stuk goed kennen en het in een keer goed opnemen - het ging mechanisch van de hoorn naar de plaat. Primitief monteren kon vanaf ca. 1930 door de tape letterlijk te knippen en plakken; zo’n 20 jaar later bedacht Les Paul (inderdaad van het bekende gitaarmodel) het meersporenprincipe waarmee overdubs mogelijk werden en de muziek in delen kon worden opgenomen. Alhoewel dat beperkt was, want de Beatles hebben bijvoorbeeld lange tijd met 3-spoorsrecorders(!) gewerkt. Opnemen in een echte studio was eigenlijk alleen weggelegd voor artiesten met een platencontract. Een dag opnemen kostte ongeveer evenveel als een gemiddeld maandsalaris. Maar als je bedenkt dat studio-apparatuur mechaniek (recorders) en op maat gebouwde elektronica (mengtafel en randapparatuur) die onderhouden moesten worden door personeel met kennis van zaken, dan zijn de prijzen wel begrijpelijk.


Artiesten namen daardoor meestal op een totaal andere manier op: de muziek werd goed ingestudeerd en in relatief korte tijd opgenomen. De komst van de meersporenrecorders die tot 24 sporen tegelijk konden opnemen maakten het mogelijk om partijen uit te proberen en uit lagen op te bouwen - de Wall of Sound van Phil Spector bijvoorbeeld. Enkele goedverdienende artiesten konden investeren in een thuisstudio, maar dat waren er niet veel. De amateurmuzikant moest het tot de 80’er jaren met twee sporen blijven doen, of met meerdere recorders. Rond die tijd kwam de computer de huiskamers binnen en kwam de zaak in een stroomversnelling. Het werd namelijk mogelijk om met de computer muziek op te nemen en te bewerken. 19 van Paul Hardcastle was in 1985 de eerste hit die op die manier was gemaakt. Het bijzondere was dat hij hierdoor in staat was om snel nieuwe versies te maken, waardoor hij de aandacht van de zenders en het publiek wist vast te houden.


Inmiddels heeft het overgrote deel van de bevolking een computer die minstens even krachtig is als een supercomputer van een halve eeuw geleden. Software om een veelvoud aan sporen te kunnen opnemen en bewerken kan al gratis van internet worden gehaald - en van goede kwaliteit ook nog; een microfoon van heel redelijke kwaliteit is al voor een paar tientjes te koop. De studio is daarmee uit de studio gehaald. In principe kan iedereen met een laptop, tablet of zelfs telefoon muziek in hoge kwaliteit opnemen en bewerken. En ook het verspreiden hoeft niets meer te kosten. Platforms als Spotify en SoundCloud maken het voor iedereen mogelijk om muziek te publiceren. Democratisering van de muziek. Ieder schoolbandje, iedere thuisartiest en iedere muziekstudent kan letterlijk de hele wereld bereiken met zijn of haar werk.


Het gereedschap had ik al een tijdje in de vorm van een zogeheten DAW, een Digital Audio Workstation waarmee ik een compleet arsenaal van de hoogste kwaliteit aan studio-apparatuur op mijn computer heb, voor de prijs van een budgettelefoon. Je kunt daarmee alles op de computer doen, ‘in the box’. Alle studio-apparatuur heb je binnen handbereik, en vooral onbeperkt: als je een apparaat 20 keer nodig hebt, zijn die er gewoon. Geen vier of acht sporen omdat de recorder zo gebouwd is. Nee, tien, twintig of honderd sporen zijn geen enkel probleem. Wat toen de top van de techniek was, is nu niet eens het begin.


Maar zoals altijd zit er wel een addertje onder het gras. Een hamer, zaag en beitel van goede kwaliteit maken geen timmerman; professionele software, een goede microfoon en geluidskaart maken geen studiotechnicus. Als je weet wat een zaag is en hoe je die gebruikt, wil dat nog niet zeggen dat je een plank netjes en recht kunt afzagen. Om dat goed te kunnen moet je niet alleen veel oefenen, je hebt ook iemand nodig om te vertellen hoe je die zaag precies moet gebruiken. En dat is nu precies wat ik aan het doen ben. Ik ben begonnen met een cursus mixen. Je begint met een simpel project: nog geen 50 sporen. Als je de oude techniek gewend bent, is dat wel even slikken. Gelukkig begint het met heel veel stap-voor-stap uitleg over de verschillende onderdelen van de software en hoe je daarmee omgaat. Uitleg over hoe je een equalizer gebruikt of een compressor. Hoe je de niveaus in moet stellen, en dat bij digitale techniek 0dB echt de grens is waar niets voorbij komt. 


Gelukkig ben ik altijd geïnteresseerd gebleven in de geluidstechniek en heb ik mede door de band van een goede vriend in het verleden veel meegekregen. Daardoor kan ik een stuk beter begrijpen waar alles over gaat. Maar toen ik zag dat het volgende onderdeel uit 20 lessen bestond moest ik nog een keer slikken.


Ik schrik alleen nu niet meer van het overvolle scherm met een enorm batterij aan regelaars zoals je dat al snel hebt. Maar ik moet nog wel even oefenen.


Voor degene die wat meer over DAW’s wil weten : https://www.musictech.net/guides/essential-guide/essential-guide-daws/

En de software die ik gebruik: https://www.presonus.com/products/studio-one/


dinsdag 8 september 2020

Decibellen

Een leraar vertelde ooit dat een verschil in geluidssterkte van 3dB een verdubbeling in sterkte betekent, en dat een kleiner verschil in geluidssterkte niet hoorbaar zou zijn. Een mythe die in de techniek nog steeds bestaat.


Ik kan me een reclametekst herinneren uit de 70’er jaren waarin iets stond als dat je met een 20W versterker een 30W box kunt opblazen maar diezelfde box prima kunt gebruiken op een 200 W versterker (klopt helemaal). En vooral ook dat geluid van 0,0001W (of iets in die orde) je wakker kan houden. Leuk, want volgens mijn leraar zou niemand zoiets kunnen horen. Blijkbaar is hij nooit uit zijn slaap gehouden door een mug, want daar ging de advertentietekst over.

Net zo onzinnig is eigenlijk de vroegere Hi-Fi-norm die stelde dat een luidspreker binnen het (even onzinnige) frequentiegebied niet meer dan 3dB mag afwijken. Het vergt niet veel voorstellingsvermogen om te weten dat een box die 20..20.000Hz keurig weergeeft maar van 2000..5000Hz net 3dB harder klinkt de indruk van een ouderwetse telefoon geeft en nasaal klinkt. Aan de andere kant zal een speaker die over het hele gebied 100% vlak is, ook niet per definitie goed klinken. Perfecte techniek is niet hetzelfde als goed klinkend.


Lange tijd heb ik gekeken naar discussies over gitaarelementen en de toegepaste magneten. AlNiCo IV of V, wat klinkt beter? Keramische magneten hebben een schel geluid en neodymium moet je helemaal niet gebruiken.

Op een zeker moment wilde ik weten wat de anatomie van een gitaarelement was. Wat is de invloed van het koperdraad, het aantal windingen en de magneten. Ik begon te inventariseren welke onderdelen invloed zouden kunnen hebben, en kwam al gauw op enkele tientallen onderdelen die van invloed kunnen zijn. Ik besloot metingen te gaan doen.

De belangrijkste factor bleek het koperdraad, en wel het aantal windingen in combinatie met de manier waarop gewikkeld is. Deze combinatie bepaalt of we een PAF, een Telecaster of Strat horen. Door een meetgrafiek te maken was het voor mij (met een achtergrond in de elektronica) gelijk duidelijk wat het verschil was en waardoor de typische klank wordt bepaald. Vervolgens heb ik twee exact dezelfde metingen gedaan aan een Telecaster-pick-up met verschillende magneten. En dat was verrassend.


Even een stukje theorie, en een proefje. Aluminium en koper zijn niet magnetisch, dat weet iedereen wel. Maar als we op een koperdraad spanning zetten ontstaat er wel een magnetisch veld, en dat geldt voor elke geleider. Andersom zal een bewegende magneet stroom opwekken als hij langs een geleidende draad komt, ook koper. Als we deze twee eigenschappen combineren, krijgen we een interessant verschijnsel, namelijk wervelstromen. Hierbij wordt een spanning opgewekt in een metalen voorwerp die vervolgens zelf weer een magneetveld opwekt.

Als we een magneetje nemen (o.a. te vinden in de goedkope oortjes van Action) en deze door een plastic buis laten vallen, gebeurt er precies wat we verwachten: het valt net zo hard naar beneden als zonder buis. Doen we ditzelfde met een koperen of aluminium buis, dan zal het ineens veel langer duren voordat het magneetje er aan het andere eind uitkomt. Probeer het thuis eens uit, of neem een magneetje mee naar de bouwmarkt.

Ditzelfde verschijnsel doet zich voor in een gitaarelement en de trillende snaar. Een keramische magneet is niet van metaal en heeft daardoor geen wervelstromen die de het geheel kunnen beïnvloeden. Metalen magneten kennen wel wervelstromen die demping veroorzaken, alhoewel dit effect bijzonder klein bleek bij mijn meting. Het verschil tussen een keramische en neodymium magneet bleek niet meer dan zo’n 0,3 dB rond de 3000 Hz. Dit verklaart ook dat poolstaafjes of poolplaten een ander geluid opleveren: de wervelstromen zijn net wat anders. Volgens mijn leraar zou dit verschil overigens onhoorbaar moeten zijn. En ook al maken we van een P90 geen Telecaster, het verschil is voor het geoefende oor wel degelijk hoorbaar in de vorm van meer of minder warmte in de klank.

Nu is het een verschil dat op zich met een simpel filter, een andere klankinstelling of versterker niet meer opvalt. Of wel, voor de gitarist. En dat is wat telt. Zelfs 0,0001 Watt kan ons uit de slaap houden, of 0,1 dB klankverschil.


En tot slot een vergelijking met eten. Een grammetje zout op een portie sperziebonen zorgt er niet voor dat ze zout gaan smaken, maar wel lekkerder. En die verhouding is ongeveer hetzelfde als 0,3 dB. Ik denk dat mijn leraar veel zout over zijn eten strooide omdat hij het anders niet kon proeven.