zaterdag 28 november 2020

Equalizers, lots of equalizers.

Effectapparaten in de studio waren vroeger - voor het computertijdperk - plug-ins op een andere manier. Je gebruikte letterlijk pluggen en kabels om een effect in het kanaal van de mengtafel te pluggen. Het waren vaak fysiek grote en zware apparaten. Meestal 19” rackformaat en al gauw zo’n 10 a 15 cm hoog. De schakelvoeding kende men nog niet, dus dat betekende flinke transformatoren, waardoor een gewicht van 10-15 kilo voor een apparaat niet vreemd was. Maar ja, die dingen waren gebouwd voor de eeuwigheid, niet om afgeschreven te worden na een paar jaar zoals tegenwoordig. En tegenwoordig zijn er met wat moeite van die apparaten te vinden, tientallen jaren oud en prima functionerend - maar tegen flinke prijzen.


Ze konden ook (heel) lang mee doordat ze geen besturingssysteem hadden dat na regelmatig moest worden bijgewerkt. En als er iets stukging kon je met een beetje moeite het defect vinden en dat onderdeel vervangen. En gezien de prijs was het zeker de moeite waard om een of enkele uren naar de storing te zoeken. Die  prijs was ook een goede reden dat alleen de meest noodzakelijke apparatuur beschikbaar was, maar er waren verschillende andere reden.


Vervorming, ruis en andere stoorsignalen waren natuurlijk een belangrijke reden om zuinig om te springen met extra elektronica in het signaalpad. Iedere buis, iedere transistor, iedere kabel en alle andere onderdelen hebben nou eenmaal invloed op het geluid. Iedere buis of transistor zorgt net voor wat vervorming en ruis; een kabel geeft altijd iets verlies van hoge frequenties en pikt een beetje brom op; spoelen en condensatoren zorgen voor faseverschillen die op hun eigen manier het geluid beïnvloeden. En meerdere kleine stappen vormen samen een duidelijk hoorbaar verschil.


Er was nog een andere belangrijke reden dat compressors, equalizers en andere apparaten mondjesmaat werden ingezet. Ze hadden namelijk niet de status van ‘effect’. Veel van deze apparaten kwamen namelijk uit de radio- of meettechniek. Een compressor (soms met expander, samen compander genoemd) had simpelweg als functie om ervoor te zorgen dat het uitgaande radiosignaal niet te sterk werd om de zender niet te oversturen, maar ook om zachte passages luider te maken om deze niet voor de luisteraar in de ruis te laten verdrinken. En een equalizer was een correctiemiddel om frequenties te verwijderen die toch niet hoorbaar zouden zijn; om de ruis en brom weg te filteren en om de klank in balans te brengen.


Hoe zijn de compressor en equalizer tot effect geworden? Waarschijnlijk gewoon doordat iemand de apparaten verkeerd had ingesteld. De overdrive/fuzz/distortion voor de gitaar is ook voor een belangrijk deel per ongeluk ontstaan door  defecte versterkers: het klonk anders en nodigde uit tot experimenteren; het typerende Phil Collins geluid van ‘In the air tonight’ ontstond ook per ongeluk, net als de stem van Cher in Believe.


Fysieke effecten gebruiken we meestal nog zelden in onze digitale, in-the-box studio. Bij je DAW krijg je al een batterij aan effecten meegeleverd zonder dat die hoeft te kopen, en op diverse websites is genoeg gratis te vinden (zoals op  http://www.vstplanet.com). Je hoeft dus echt geen honderden of duizenden euro’s te betalen voor een fysiek apparaat dat een eeuw meegaat. Sterker nog, je kunt fantastische digitale kopieën kopen van oude apparaten die er exact uitzien als de originelen na jaren gebruik. Vergeelde knoppen, vlekken of slijtplekken op het digitale frontpaneel dat er nooit ouder gaat uitzien en wat niet kapot gaat. Jammer genoeg kun je het ook niet opknappen of modificeren.


Soms is zo’n digitale versie een verbeterde of uitgebreide versie; een andere keer is het apparaat exact gemodelleerd en kun je zelfs het ruis- en bromniveau(!) aanpassen voor het authentieke geluid. Aan de andere kant heb je compleet nieuwe ontwerpen die alleen op de computer kunnen bestaan, zoals een compressor met 0 mS reactietijd of een echte grafische equalizer waarvan je de curve zelf tekent.


Er is een ding dat in de computerwereld nooit in werkelijkheid geëvenaard wordt: je koopt een effect namelijk één keer maar je kunt het zo vaak inzetten als je wilt. Op ieder kanaal. Op iedere bus. Stapelen in een kanaal. Naast elkaar zetten in een kanaal. Het is als in The Matrix Reloaded waar Neo vraagt om ‘Guns, lots of guns’ (https://www.youtube.com/watch?v=j_urZ5KDPec) waarbij hij na een paar toetsdrukken duizenden wapens beschikbaar heeft. In je digitale mixer kun je duizenden effecten inzetten; het is in principe een onbeperkte hoeveelheid kopieën van de virtuele apparaten. Compressors. Equalizers. Filters. Galmruimtes, met een druk op de knop op maat gemaakt, van wc tot kathedraal. De mogelijkheden zijn in principe onbeperkt zolang je computer het aankan.


En ja, er zijn fanatiekelingen die juist de beperkingen van de fysieke Old Skool-apparaten inspirerend vinden en daar fantastische resultaten mee bereiken. Het album Tascam Tapes van DeWolff bijvoorbeeld dat is opgenomen met een meersporen cassetterecorder die letterlijk uit elkaar viel.


Ach, de een wil in de stad wonen, de ander in het bos. Het is maar net wat je inspireert.

zondag 1 november 2020

Geen hi-fi in de studio

De studio is natuurlijk de plek waar je het beste geluid wilt hebben. Je moet de opname en de mix zo zuiver mogelijk horen om zeker te weten dat alles perfect in orde is. Dus staat daar natuurlijk de beste hi-fi apparatuur om het meest natuurlijke geluid te hebben zou je denken; beter dan dat kan het niet zijn, zou je denken. Toch is het in de praktijk zo dat de apparatuur die in de studio wordt gebruikt om te luisteren het niet zo lekker doen in de huiskamer. 


Vreemd eigenlijk. Een kwaliteits-hi-fi-versterker beroept zich op de laagste vervorming met een perfect vlakke karakteristiek en luidsprekers die weergeven van 17-28.000 Hz. Vreemd genoeg staat er alleen (-3dB) bij die speakers vermeld, en in een recensie kan ik wel vinden dat “de middenhoog- en laagweergave ‘stiller en strakker’” zijn. En ze zijn voorzien van Aerofoil woofers en Diamantdome met Nautilusontwerp-tweeters. Indrukwekkend, maar dat mag ook wel voor Bowers & Wilkins 802 D3 boxen van ruim 20.000 euro per set. Ik ben bang dat er voor een belangrijk deel een placebo-effect speelt, net als audiofielen die ‘meer ruimte in het geluid’ horen wanneer ze een verguld netsnoer gebruiken. Maar over de karakteristiek van de boxen is niets te vinden, behalve die -3dB.


Als je bedenkt dat een variatie van 0,3dB al een merkbare kleuring van de klank oplevert oplevert zoals ik in mijn blog Decibellen al aangaf, dan mag het duidelijk zijn dat 3dB heel veel ruimte geeft aan de kleuring van de muziek. Bij het masteren van de muziek - het ‘op smaak brengen’ van de muziek voor de luisteraar, zoals een kok nog even drupje saus bij het vlees serveert - blijven aanpassingen normaal gesproken ver onder deze waarde. Waarom kan een luidspreker dan rustig 3dB extra geven in het laag en toch nog topklasse zijn?


Ach, mensen houden van lekker. Of dat nou een klodder mayonaise op de patat is of een schep suiker in de koffie. Het moet lekker smaken, of in dit geval lekker klinken. Die luidspreker voegt net die saus toe, of dat schepje suiker. De installatie voor in de huiskamer (of luisterruimte voor de echte audiofiel) is gebouwd op goed klinkend geluid, niet op het meest nauwkeurige geluid, al zijn de meningen daar misschien wat over verdeeld.


In de studio gaat het anders. Je moet de ingrediënten kunnen proeven. Zonder saus, zonder suiker, zonder melk. Fabrikanten van monitorluidsprekers zijn daardoor wat scheutiger met hun informatie en grafieken. Een monitor als Monkey Banana Lemur5 bijvoorbeeld kan op verschillende karakteristieken worden ingesteld, en die gewoon op de box zelf gedrukt zodat je kunt zien wat de instellingen met het geluid doen. Onlangs zag ik zelfs een paar nogal kostbare professionele monitors, die over het hele weergavegebied niet meer dan 0,1dB afwijking hadden. Nagenoeg geen kleuring dus Je bent dus verzekerd van een onvoorstelbaar nauwkeurige weergave, maar ik kan erbij vertellen dat ze niet ‘lekker’ klinken. Geen mooie volle bas, bijvoorbeeld of een tinkelend hoog. Maar het zijn wel luidsprekers waarmee het geluid zo nauwkeurig mogelijk wordt weergegeven om een goede referentie te hebben.


In de studio wil je het geluid horen in zijn zuiverste vorm met zo min mogelijk kleuring. Een chef-kok zal het vlees proeven zonder saus, en de saus zonder vlees. Bij het mixen luister je ook eerst naar de afzonderlijke instrumenten en instrumentgroepen om zeker te weten dat alles goed met elkaar in balans is. En als dat het geval is, ga je als het ware het vlees (of de vleesvervanger), de groente en de bijgerechten samenvoegen. En om het af te maken neem je een drupje saus en wat dressing over de salade. Als alles dan op tafel staat, pakt de klant peper en zout omdat het dan lekkerder smaakt.


En daar zit nou net de valkuil. Je moet leren luisteren naar het neutrale geluid van de monitor en het geheel niet ‘lekker’ laten klinken. Bij mijn eerste mix ging ik daarmee goed de mist in: op de monitors klonk het best aardig maar in de huiskamer werd het een vette brei van geluid, onder andere doordat de installatie iets te warm was ingesteld, maar vooral omdat ik mixte op een aangename klank, niet op de balans. Als een kok precies genoeg zout in het eten doet en de klant pakt gelijk de zoutstrooier, dan is niet lekker meer.


Dus ja, de muziek wordt in de hele keten tot aan de luisteraar zo zuiver mogelijk opgenomen (alhoewel… daarover in een volgend blog meer) om ervoor te zorgen dat het is zoals de artiest en producer het wilde hebben. En de luisteraar past het vervolgens aan zodat het lekker klinkt.